Kapotgefokt

Gepubliceerd op 22 december 2018 om 15:34

Voor mij blijft het gewoon het meest aanbiddelijke ras!  O, wat was ik gek op die hond.  Het was écht mijn maatje.  Waar ik ging, ging zij.  Er zat zóveel levenslust in haar.  Ze genoot met een ongecontroleerde blijheid van het leven.  Ongecontroleerd, dát wel ja!  Ze was je altijd een stap voor.  Ik droom er nog steeds van een hond te hebben, die lekker los met me meeloopt.  Een hond die niet van je zijde wijkt.  Is ook veel leuker wandelen dan aan de riem, maar ik heb het jammer genoeg nooit voor elkaar gekregen.  Zéker niet met Noa, mijn Berner Sennen.  Ik heb het natuurlijk wel geprobeerd.  En ik moet zeggen, in het begin ging het ook redelijk goed.  Ik dacht werkelijk dat het zou lukken met haar.  Als ze een aantal meters bij me vandaan was en ik riep haar, kwam ze vrolijk huppelend weer naar me toe met haar kop hijgend naar me opgericht, alsof ze lachte.  En dan ging ze weer.  Tót ze iets zag dat haar aandacht trok.

Ik zie het nóg gebeuren.  Ja, ik wéét dat ik dan streng moet zijn, maar toen ik haar ondeugende kop zag, kon ik alleen maar lachen.  Ze stoof plotseling bij me vandaan.  En vóórdat ze er was, had ik al gezien waar ze naartoe wilde.  Langs de weg was een knul aan het werk bij één of ander electriciteitskastje en ze scheurde er linea recta op af, om stoïcijns naast hem te gaan zitten alsof het een oude bekende was.  Toen ik zag hoe ze tegen hem aan ging hangen en haar 'lachende' kop naar hem ophief, alsof ze zeggen wilde:  'gezellie hè?' kon ik mijn lachen niet meer inhouden.  'Sorry hoor,' zei ik meteen verontschuldigend,' maar hij lachte vrolijk mee.  'Zeg maar niks, ik kén dit ras.  Ze zijn zo gek als een deur, maar dan op een positieve manier.' 

Dús deed ik haar maar weer aan de riem, want als ze eenmaal de smaak te pakken had, dan had ze de neiging bij elke boerderij een kijkje te gaan nemen.  Ze was gék op mensen en wilde iedereen  even gedag zeggen, wat met haar gewicht natuurlijk niet altijd in dank werd afgenomen, dus vond ik het wijzer maar aangelijnd met haar te lopen.  Zelfs op het strand had het soms beter geweest ze vast te houden, maar hé, je gaat naar het strand om haar lekker te laten rennen, met als gevolg dat ze de met veel zorg gebouwde zandkastelen met één wel gemikte sprong plat walste.

Het gebeurde één keer dat het fout ging en we de verzekering moesten aanspreken.  Ik had haar meegenomen voor een flinke wandeling over het Kerkepad.  Een pad dat midden door de weilanden loopt, waar ze zich lekker kon uitleven.  Ik liet haar altijd pas gaan als we buiten het bereik van mensen waren, maar voordat het zover was passeerden we een ouder echtpaar, die lekker op het gemakkie liepen te wandelen.  Ik dacht er gewoon voorbij te lopen, maar de vrouw begon met een hoog stemmetje lachend tegen Noa te praten.  Nou, je begrijpt dat dat spekkie naar haar bekkie was en ze genoot van de aandacht.

Een kwartiertje later toen ze al lang losliep, zag ik het echtpaar, die natuurlijk veel langzamer liepen, heel in de verte achter me lopen.  Maar ik was niet de enige die het zag.  Ze stond even stil en voordat ik de kans had te reageren, stoof ze in hun richting.  Ik kon roepen wat ik wilde, maar dan was het net of ze geen oren meer had.  Rechtdoor op haar doel af.  Ik was zó ver van ze vandaan, dat ik alleen kon zien dat Noa omhoog sprong, in een tweede blije begroeting.  Ik kreunde diep vanuit mijn keel.  Er zat niks anders op dan weer terug te lopen, want het zag er niet naar uit dat ze uit zichzelf weer naar me toe zou komen.  Terwijl ik steeds dichter bij kwam, viel het me op dat het echtpaar nog steeds stil stond en eenmaal dichtbij genoeg om ze goed te kunnen zien, zag ik de vrouw met haar hand bij haar mond.  'Is er iets gebeurd?' vroeg ik met ingehouden adem.  'Ja,' zei de vrouw.  'Hij kwam me weer begroeten, maar sprong tegen mijn mond aan en nu zit mijn tand los...' Het is allemaal later wel naar tevredenheid opgelost, maar op dat moment kon ik wel door de grond zakken.

Ik dácht er ook nooit meer aan, dat ze als pup een moeilijke start had gehad.  Ze was uitgegroeid tot een prachtige, vrolijke hond.  Haar vacht glansde in het zonlicht, alsof ze elke dag werd opgepoetst, terwijl ik haar maar eens in de 2 weken een beetje borstelde.  Ze was sterk en levenslustig en we hadden, na haar moeilijke start, nooit problemen met haar.  Ik gaf haar wel voer bij de dierenarts vandaan, dat beter zou zijn voor het bottengestel van een grote hond.  Ik weet niet of het er werkelijk toe bijdraagt, maar het gaf me toch een goed gevoel dat ze het beste kreeg.

Want ging je een pup halen, dan krijg je meestal toch wel een puppypakket mee van hetgeen ze daar gewend waren te eten.  Zo ook bij deze fokker.  Van Eggelen heette de man als ik me goed herinner.  Mezelf kennende, ging alle goedbedoelde prietpraat langs me heen bij het zien van de pup.  Meteen halsoverkop verliefd.

Het begon al meteen de volgende dag.  Aan de diarree.  Ik durfde het niet te lang af te wachten bij een nog zó jonge pup, dus meteen een dag later naar de dierenarts.  'Is ze ontwormt?' was de eerste vraag die gesteld werd.  'Volgens het boekje wel.'  'Oké, zet ze dan een paar dagen op rijst en kip, dan moet het over zijn.  Gebeurd vaak hoor bij jonge hondjes,' zei ze goedgehumeurd en lachte en speelde met Noa.  Maar 2 dagen later was het niet over.  Ongerust ontdekte ik dat ze bloed ging poepen en probeerde zo goed en zo kwaad als maar mogelijk was, er wat van op te scheppen, waarna bij aankomst bij de dierenarts ze het meteen onder de microscoop legde.  'Larven,' zei ze meteen.  'Maar...'  Ze keek me veelbetekenend aan.  'Papier is geduldig.'  'Je bedoelt dat ze die wormenkuur helemaal niet heeft gehad?'  'Zo te zien niet.'  Gelukkig liep het allemaal goed af, maar het zat me toch niet helemaal lekker.  Ik besloot er toch een belletje aan te wagen, dus benaderde ik de Berner Sennen club.  De vrouw die ik aan de telefoon kreeg nam er echt de tijd voor, maar ik kon niet zeggen dat mijn gevoel er beter door werd.  Ze vroeg meteen bij welke fokker Noa vandaan kwam en toen ze de naam hoorde, reageerde ze geschrokken.  'Oooo, ik hoop écht dat je geluk hebt met haar hoor, maar wíj noemen de man de hondenvermeerderaar...  broodfokker.

Ze was inmiddels ruim 4 jaar en zo gezond als een vis.  Ik dacht er al lang niet meer aan en genoot van mijn maatje.  Tót ik op een dag de gang inliep waar ze lag te slapen.  Ze tilde haar kop even op en keek me aan,  waarna ze meteen haar ogen weer dichtdeed.  Toen ik langs haar heenliep, viel mijn blik op de grote plas achter haar en ik keek stomverbaasd.  'Wat krijgen we nóu?' sprak ik in mezelf.  Ik liep rechtsomkeert naar de telefoon en vroeg de assistente of ik diezelfde middag nog kon komen.  'Probeer in elk geval wat op te vangen,' zei ze en ik kon gelukkig diezelfde middag terecht.  En plas opvangen was niet zo moeilijk, want vóórdat ik in de auto zat met haar, had ze het nog 2 keer laten lopen.

Nierbekkenontsteking.  Ik schrok behoorlijk toen ze me vertelde dat daar een antibioticakuur van 3 maanden voor stond.  Als ik mazzel had 6 weken.  Maar ze moesten er eerst zeker van zijn dat het helemaal weg was, anders zou het zó weer de kop opsteken.  Het was 2 dagen later, dat ze begon te hoesten.  Ik vond het zó apart.  Dat had ik haar nog nóóit horen doen.  Ik weer terug.  Ze onderzocht haar en kwam tot de conclusie dat het waarschijnlijk verminderde weerstand was door de antibiotica en een koudje had opgelopen.

6 weken later liet ik haar urine opnieuw testen en ik kon niet blijer zijn, om te horen dat ze helemaal genezen was...

Maar 2 dagen na haar laatste antibioticapil, begon ze bloed op te hoesten en dat vond ik werkelijk zó verontrustend dat ik ook dát opschepte en meenam naar de dierenarts.  'Ooo, hoest ze dát op?  Dat komt door de antibiotica, dat zorgt meestal voor kleine bloedinkjes en dat komt er nu uit.'  Maar mijn gevoel belette me om me opgelucht te voelen.  Het zat me zó dwars.  Zéker omdat het bleef aanhouden.  Ik schepte wat ze had uitgespuugd wéér op en vond het vreselijk dat ik een week moest wachten op de uitslag.  Na 3 dagen hield ik het niet langer uit.  Ik liet Noa in de auto en reed naar een andere dierenarts voor een second opinion.  Ik deed mijn verhaal en liet ook hém zien wat ze uitspuugde en toen ik van hem hetzelfde verhaal kreeg, had ik gerustgesteld moeten zijn.  Zéker toen hij zei:  'Die hond ziet er veel te goed uit om ziek te zijn.'  En nóg liet mijn gevoel me niet los.  Zag ik nou als énige spoken??

Net voor het weekend kwam het telefoontje.  'We hebben verontruste cellen in Noa's bloed gevonden en wetende dat ze je zo dierbaar is, raad ik je aan naar Wageningen te gaan.  De professor die daar zit, heeft zich helemaal gespecialiseerd in dit hondenras.  Als ik jou was, zou ik daar naar toegaan, dan hoef je jezelf in ieder geval niets te verwijten.'  Ik liet het over me heenkomen, alsof het niet mijn hoofd in wilde.

Meteen toen ik thuiskwam maakte ik de afspraak en het kon niet anders, dan dat ik weer 5 dagen moest wachten, wat op zich niet lang was.  Maar voor míj wel!!  Ik deed wat ik moest doen, maar kon mijn gedachten niet verzetten.  Terwijl ik boven de slaapkamer stofte en me  omdraaide naar de boekenplank, bleef ik even stilstaan.  Op dat moment voelde ik eigenlijk pas hoe moe ik was.  Ik stond daar maar, zonder me te bewegen.  Op het moment dat ik mijn arm optilde gebeurde het.  Als een fladderende vlinder kwam het naar beneden en kwam precies voor mijn voeten tot stilstand.  De rouwkaart van mijn vader...  die ik bewaarde bovenop de boekenplank.  Ik bukte me en op het moment dat ik de kaart opraapte, wist ik het...  Ik zou Noa verliezen...

Ze huppelde vrolijk de wachtkamer in, terwijl ik al dagen met een brok in mijn keel liep.  Ze liep meteen naar de enige vrouw toe die in de ruimte aanwezig was en begroette haar uitbundig.  Ik kreeg steeds meer moeite om naar haar te kijken.  Het maakte me verdrietig.  Even later werden we uitgenodigd de praktijk binnen te komen en kwamen er 3 witte jassen de wachtruimte in om Noa op te halen voor de röntgenfoto.  Terwijl ik met lood in mijn schoenen achter de arts aanliep, keek ik nog even achterom en zag hoe ze vrolijk kwispelend met hen meeliep.  Ik kan me nog herinneren dat de arts vroeg of we koffie of thee wilden, waarna hij zich verontschuldigde en zei dat ie zo weer terugkwam.  Na 10 minuten op hete kolen te hebben gezeten, kwam de arts weer binnen met een oudere man achter zich aan.  De professor, waar de dierenarts het over had gehad, dacht ik meteen.  Hij zag er inderdaad uit als het beeld dat je hebt van een 'oude professor'.  Brilletje op zijn neus, terwijl zijn grijze haar alle kanten opstond.

Ik hoefde niet eens op zijn antwoord te wachten, het stond op hun gezichten te lezen.  De  jongere arts tikte op een paar toetsen en draaide het scherm naar ons toe.  Met een pen begon hij de grijze gebieden aan te wijzen die voor mij totaal geen enkele betekenis hadden.  'Het ziet er niet goed uit,' zei hij, terwijl ik zag hoe hij met de pen cirkels maakte vlak voor het scherm.  'Kijk, hier zie je een tumor,' sprak hij en het leek toch of ik iets herademde.  'Dat halen jullie toch wel wég zeker?' vroeg ik de arts recht aankijkend.  Hij liet zich met een zucht tegen zijn rugleuning zakken.  'Als het er één zou zijn, zouden we dat zéker doen, maar...  er zitten 12 tumoren...'  'Zoveel heb ik er nog nooit gezien bij elkaar.'  Het leek of ik een klap in mijn gezicht kreeg en de tranen liepen ongecontroleerd over mijn wangen.  Op dat moment stond de oudere arts op en leidde ons mee naar een andere praktijkruimte.

'Ik begrijp dat dit heel rauw op uw dak moet vallen,' sprak hij met een aangename, troostende stem.  'Mijn advies is dan ook...  ik begrijp hoe moeilijk dit is...  maar ik zou u aanraden de eerste 30 jaar niet meer aan dit ras te beginnen.  Jammer genoeg zijn ze door verkeerde fokkers totaal kapotgefokt en dat betreur ik ten zeerste.  Niet alleen lichamelijk, maar ook het karakter wordt er niet beter op.'

'Hoe lang nog...?' vroeg ik met verstikte stem.  'Hooguit 2 maanden.  Verwen haar nog maar een poosje en ik geloof er heilig in dat er een hondenhemel is...'  Het was geen pleister op de wonde, maar alleen al zijn medeleven deed me goed.  

En dat was wat ik deed.  Ze kreeg alles, maar dan ook álles wat ze lekker vond.  Ik merkte hoe ze zich langzaam maar zeker begon terug te trekken.  Had ze elke avond met televisie kijken tegen me aangelegen, nu zonderde ze zich af in de gang.  Het was inmiddels al over de helft van december en het deed niet anders dan sneeuwen, waardoor ik elke keer de rode vlek duidelijk  zag, als ik met haar wandelde en ze bloed spuugde en daarna  naar me opkeek.  Ik kon het niet meer aanzien.  Zo groot als mijn verdriet was om mijn maatje, ik zag het aan haar blik.  Ik kon het voor háár niet langer uitstellen.  Het enige dat me dreef was de gedachte, dat ik op een ochtend wakker zou worden en ze gestikt zou zijn.  Dat zou ik mezelf nooit vergeven.

De dag voor de Kerst belde ik de dierenarts en sprak met haar af dat ze diezelfde middag zou komen.   Al die tijd zat ik bij haar, met haar kop op mijn schoot, totdat ze de auto hoorde.  Terwijl mijn hart leek over te slaan, scheurde ze blaffend en jankend naar de deur en sprong blij tegen haar op, haar dood tegemoet...

Terwijl ze een spuitje in haar poot kreeg, lag ze me aan te kijken en blééf me aankijken, tot het licht uit haar ogen verdween...


Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.